-
21 hooiberg
-
22 hooischuur
-
23 hooivork
-
24 hooiwagen
-
25 inzitten
♦voorbeelden:over iets, iemand inzitten • s'inquiéter au sujet de qc., d'une personne -
26 laatje
-
27 leven
leven1〈 het〉♦voorbeelden:een bruin leven • une vie de cocagneeen dubbel leven leiden • mener une vie doublehet leven wordt steeds duurder • (le coût de) la vie ne cesse d'augmenterzijn eigen leven leiden • vivre sa viedat verhaal is een eigen leven gaan leiden • ce récit est devenu un tout indépendant du contexteeen lekker leventje leiden • se la couler doucedat is een lekker leventje • c'est la belle vieals je leven je lief is • si ta vie t'est précieuseeen lui leventje • une petite vie pépèrenieuw leven inblazen • revitalisereen nieuw leven beginnen • refaire sa viehet ongeboren leven • la vie foetaleeen ongeregeld leven leiden • mener une vie de bâton de chaiseeen teruggetrokken leven leiden • mener une vie retiréeeen verdorven leven leiden • mener une vie dissolueeen vrolijk leventje leiden • mener joyeuse viehij danste alsof zijn leven er van afhing • il dansait comme si c'était une question de vie ou de mortzich het leven benemen, zich van het leven beroven • se suiciderals vrijgezel door het leven gaan • être célibatairezijn leven hangt aan een zijden draad(je) • sa vie pend à un filhet leven erbij inschieten • y laisser la viezo is het leven • c'est la vieiemand het leven laten • laisser la vie sauve à qn.iemand het leven ontnemen • ôter la vie à qn.zijn leven redden • sauver sa viehet leven schenken aan • donner la vie àhoe staat het leven? • comment ça va?voor zijn leven strijden • défendre sa peauzijn leven wagen • risquer sa viemijn leven lang • ma vie durantbij, tijdens zijn leven • de son vivantzich door het leven slaan • se débrouiller dans la viein leven • en vieiets in het leven roepen • mettre qc. sur piedhet leven in het hiernamaals • (la vie de) l'au-delàmet zijn leven spelen • risquer sa vieiemand naar het leven staan • attenter à la vie de qn.om het leven komen • trouver la mortiemand om het leven brengen • tuer qn.uit het leven gegrepen • pris sur le vifvan zijn leven niet • jamais de la vieheb je van je leven! • a-t-on jamais vu ça!voor zijn leven geborgen zijn • avoir du foin dans ses bottes pour le restant de ses jourshij is voor zijn leven ongelukkig • il est malheureux pour la vievoor het leven benoemd • nommé à viezij heeft geen leven bij die man • ce n'est pas une vie (pour elle) auprès de cet hommeeen leven als een luis op een zeer hoofd hebben • vivre comme un coq en pâte〈 spreekwoord〉 zolang er leven is, is er hoop • tant qu'il y a de la vie, il y a de l'espoir¶ dat brengt leven in de brouwerij • 〈 het wordt levendig〉 cela met de l'entrain; 〈 de zaken gaan vooruit〉 les affaires prennent tournuretoen begon het lieve leventje • …, ce qui mit le feu aux poudreswat is er een leven op straat! • quelle animation il y a dans la rue!leven maken • faire du tapagezij is in het leven • elle est prostituéenaar het leven tekenen • dessiner d'après natureeen leven als een oordeel • un tapage infernal————————leven21 vivre♦voorbeelden:leeft die vaas nog? • ce vase n'est toujours pas cassé?blijven leven • rester en viemen moet leven en laten leven • il faut vivre et laisser vivrewe moeten daar nog een jaar mee leven • il faudra supporter cela un an encorestil gaan leven • se retirer des affairesin angst leven • vivre dans l'angoissemet deze man valt niet te leven • cet homme est invivablenaar iets toe leven • se réjouir à l'idée de qc.leven tussen hoop en vrees • flotter entre l'espoir et la craintehij leeft van rijst • il vit de rizvan zijn rente leven • vivre de ses renteshij heeft genoeg om van te leven • il a de quoi vivrevan dit vak kun je niet leven • ce métier ne nourrit pas son hommezo waar als ik leef • aussi vrai que j'existezij leven langs elkaar heen • ils vivent chacun de leur côtémen moet ermee leren leven • il faudra bien s'y faire〈 spreekwoord〉 wie dan leeft, die dan zorgt • qui vivra, verra¶ leve de koningin! • vive la reine!dat portret leeft • ce portrait vitdeze romanpersonages leven • les personnages de ce roman sont vrais -
28 naald
♦voorbeelden:een naald in een hooiberg zoeken • chercher une aiguille dans une meule de foin〈figuurlijk; Algemeen Zuid-Nederlands〉 iets van naaldje tot draadje vertellen • raconter qc. en long et en large -
29 paard
♦voorbeelden:een blind paard zou er geen schade doen • il n'y a guère que les quatre mursop het verkeerde paard wedden • miser sur le mauvais chevalhet vliegende paard • le cheval ailéhet paard achter de wagen spannen • mettre la charrue devant les boeufste paard stijgen • monter à chevalte paard zitten • être en selle〈 figuurlijk〉 iemand te paard helpen • mettre qn. en sellewerken als een paard • travailler comme un boeufzo sterk als een paard • fort comme un boeuf〈 spreekwoord〉 men moet een gegeven paard niet in de bek zien • à cheval donné, on ne regarde pas la bouche -
30 persen
1 [algemeen] presser♦voorbeelden:hooi tot balen persen • mettre du foin en bottesolie persen • extraire de l'huilesap uit een citroen persen • presser un citronzich tegen iemand aan persen • se coller contre qn.zich door een nauwe doorgang persen • se faufiler dans un passage étroithet persen • le pressing1 [kind uitdrijven] pousser -
31 samengeperst hooi
samengeperst hooi -
32 samenpersen
♦voorbeelden:samengeperste lucht • de l'air comprimé -
33 schaap
♦voorbeelden:zijn schaapjes op het droge hebben • avoir du foin dans ses bottesschapen houden • élever des moutons3 onnozel schaap! • pauvre nigaud!¶ arm schaap! • pauvre chat(te)! -
34 speld
♦voorbeelden:daar is geen speld tussen te krijgen • 〈 dat klopt precies〉 tout se tient; 〈 er is geen woord tussen te krijgen〉 on ne peut pas placer un mot -
35 stom
♦voorbeelden:1 stomme ezel dat je bent! • triple idiot!een stomme streek uithalen • faire une bêtisedat vind ik stom van je • je ne trouve pas ça malin de ta part(wat) stom van hem! • qu'il est bête!geen stom woord zeggen • ne pas dire un traître moteen stomme • un(e) muet(te)stom werk moeten verrichten • devoir faire un travail ennuyeux -
36 te stom zijn om voor de duvel te dansen
te stom zijn om voor de duvel te dansenDeens-Russisch woordenboek > te stom zijn om voor de duvel te dansen
-
37 voor zijn leven geborgen zijn
voor zijn leven geborgen zijn -
38 voren
1 avant♦voorbeelden:iets naar voren brengen • avancer qc. 〈 ook figuurlijk〉een stap naar voren doen • faire un pas en avantvan voren • de facehij weet van voren niet dat hij van achteren leeft • il est bête à manger du foinvan voren af aan • à nouveauvan voren af aan beginnen • recommencerals voren • comme ci-dessus -
39 warmpjes
-
40 was
I 〈de〉♦voorbeelden:dit goed verkleurt in de was • ce linge déteint au lavageiets in de was doen • mettre qc. au lavagede fijne was • le linge finje moet je vuile was niet buiten hangen • il faut laver son linge sale en famille♦voorbeelden:hij, zij was (zacht) als was • il, elle était malléable comme de la cire
См. также в других словарях:
foin — foin … Dictionnaire des rimes
foin — 1. (foin) s. m. 1° Herbe des prairies fauchée et séchée au soleil pour la nourriture des bestiaux. Une botte de foin. • Vous [Nabuchodonosor] mangerez du foin comme un boeuf, vous serez trempé de la rosée du ciel, SACI Daniel, IV, 22. • Mon … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
foin — FOIN. s. m. Herbe fauchée & seichée pour la nourriture des chevaux, & des bestiaux. Vieux foin. foin nouveau. foin delié. un cent de foin. une botte de foin. descharger du foin. botteler du foin. charrettée de foin. tas de foin. meule de foin.… … Dictionnaire de l'Académie française
foin — Foin, Foenum. Foin de pré, Pratense foenum. Foin d arriere saison, Regain, Foenum cordum. Foin dur, ou Jaunette, Ascyrum. C est une espece de Hypericum. Une herbe qu on appelle Foin de Bourgoigne, ou sainct foin, Medica. Faucher du foin, Foenum… … Thresor de la langue françoyse
Foin — (foin), n. [F. fouine a marten.] 1. (Zo[ o]l.) The beech marten ({Mustela foina}). See {Marten}. [1913 Webster] 2. A kind of fur, black at the top on a whitish ground, taken from the ferret or weasel of the same name.[Obs.] [1913 Webster] He came … The Collaborative International Dictionary of English
Foin — Foin, v. i. [OE. foinen, foignen; of uncertain origin; cf. dial. F. fouiner to push for eels with a spear, fr. F. fouine an eelspear, perh. fr. L. fodere to dig, thrust.] To thrust with a sword or spear; to lunge. [Obs.] [1913 Webster] He stroke … The Collaborative International Dictionary of English
foin ! — ● foin ! interjection (de foinou altération de fi !) Littéraire. Foin (de quelque chose), marque le dédain, le mépris, l aversion : Foin de la richesse ! … Encyclopédie Universelle
foin — [foin] vi., n. [ME foinen < foin, a thrust, stab < OFr foisne, fish spear < L fuscina, a trident] Archaic lunge or thrust, as in fencing … English World dictionary
Foin — Foin, v. t. To prick; to st?ng. [Obs.] Huloet. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
Foin — Foin, n. A pass in fencing; a lunge. [Obs.] Shak. [1913 Webster] … The Collaborative International Dictionary of English
foin — 1. foin [ fwɛ̃ ] n. m. • XVe; fein XIIe; lat. fenum 1 ♦ Herbe des prairies fauchée ou coupée, destinée à la nourriture du bétail. ⇒ 1. fourrage. Faire les foins : couper l herbe, l étaler (⇒ fanage) , la mettre en lignes (⇒ andain) , en faire des … Encyclopédie Universelle